Als je het water uit de komt gooit, gaat de vis dood, fluistert Halina Reijn in de telefoon. Het grote raam is het kijkglas, de muren zijn de kom. De ruimte is leeg, het water is eruit. De zuurstof is afgesneden. De liefde is over.
La voix humaine (‘de menselijke stem’) is een van de zeldzame monologen uit het toneelrepertoire voor een vrouw alleen. Logisch, vond Ivo van Hove, om dit stuk te kiezen als eenakter voor zijn steractrice Halina Reijn. Jean Cocteau schreef het in 1929 voor de legendarische toneelspeelster Berthe Bovy van de Comédie française. Het is een afscheidsgesprek, het laatste telefoontje van twee ex-geliefden.
Doodsbang was Reijn om in de voetsporen van grote actrices als Bovy, Simone Signoret en Ingrid Bergman te treden. Maar ze was ook nieuwsgierig.
Met succes speelde ze de monoloog de afgelopen maanden in Polen en België. Op het internationale festival Kontakt in het Poolse Torun werd ze zelfs bekroond met een prijs voor de beste actrice. In september staat New York nog op de rol, voordat de officiële première hier in oktober plaatsvindt. Gisteren was nog een try-out.
In een grijze trui met innig verstrengelde Micky en Minnie Mouse, een Adidastrainingsbroek en een wit speldje in haar haar staat Reijn in het lege appartement. Het grote raam is een schuifpui in een zwarte wand. Behalve een fles Spa blauw is er niets tussen de muren en het raam. De strakke vormgeving (door Jan Versweyveld) is beklemmend.
“Ik heb besloten om dapper te zijn,” zegt de vrouw met holle stem. Ze heeft een zwarte plastic telefoonhoorn zonder snoer in de hand. “Hallo?”. Ze wacht op antwoord. Cocteau schreef puntjes waar het antwoord van de geliefde kwam, Van Hove gaf repliek tijdens de repetities, maar in de voorstelling doet Reijn het alleen.
Van Hoves interpretatie va n La voix humaine moest meer zijn dan alleen een liefdesverhaal. Het is ook een schreeuw om bestaansrecht. Reijn boort daartoe woordelijk alle emoties aan: lief, boos, passief agressief, vermanend, hysterisch en in tranen, eenzaam ratelend in een losgekoppelde hoorn.
De eerste helft van de vijf kwartier krijgt ze je mee. Ze speelt klein, je gelooft haar verdriet. Het is alleen de vrouw en de telefoon, verder niets.
Maar dan, tegen het eind van het gesprek, als een wanhoopsdaad onvermijdelijk is, worden steeds meer middelen gebruikt om het verdriet te tonen. Luide muziek schalt door de ruimte, Reijn werpt zich tegen het raam, schreeuwt, stampt of zit minutenlang met haar neus naar de muur.
Hoe groter het drama, hoe vlakker het wordt.
Het raakt niet meer. Het is de hysterie van een afgewezen geliefde. Met een existentiële strijd heeft het niets te maken.
Ook de stem van de man, die al spelende aanwezig moet worden, blijft dan opvallend afwezig. Zolang de hoorn in Reijns hand is, wekt ze nog de suggestie van een levend wezen aan de andere kant van de lijn, maar halverwege het gesprek laat ze de hoorn liggen. Het plafond wordt de spreekbuis en haar imaginaire tegenspeler verdwijnt. Zelfs als ze aan het eind de hoorn weer oppakt, is de zorgvuldig opgebouwde illusie verdwenen.
Tekst: Jean Cocteau, Toneelgroep Amsterdam, Regie: Ivo van Hove, Spel: Halina Reijn, Gezien: Try-out 11 augustus 2009, Rabozaal Stadsschouwburg Amsterdam, Tot 15 augustus te zien, Daarna van oktober t/m december in heel Nederland