Theaterrecensies, interviews, reportages
RSS:
Publications
Comments

Interview Wouter Hanegraaff, hoogleraar Westerse Esoterie

Tien jaar bestaat de leerstoel Geschiedenis van de Hermetische filosofie aan de Uva, de enige ter wereld met een compleet onderwijsprogramma. Hoogleraar Wouter Hanegraaff over de betekenis van esoterie, het belang van de bestudering van alchemie, en waarom hij geen new-ageprofessor is.

Wouter Hanegraaff (1961), hoogleraar geschiedenis van de hermetische filosofie en verwante stromingen, ontvangt aan huis en komt de deur eigenhandig openmaken, ook al woont hij op de bovenverdieping. Met een jonge rode kat op zijn arm schudt hij de hand. Een tweede poes komt aan dartelen. ‘Ik doe de deur snel dicht, straks lopen de katten nog naar buiten.’

Hij is klein van stuk en loopt op sokken. Een frameloze bril staat op zijn neus. Vol geestdrift geeft hij meteen een rondleiding van zijn woning – de plek waar hij voornamelijk schrijft. De muren van zijn werkkamer zijn bedekt met boeken. Van de Griekse gnosis, via de alchemie tot new-agestromingen. Chronologisch gerangschikt en altijd binnen handbereik.

Eén werk neemt hij in de hand: het twee delen tellende Dictionary of Gnosis and Western Esotericism. Trots is hij, op dit onder zijn redactie tot stand gekomen standaardwerk. Zijn leerstoelgroep vierde onlangs het tienjarige jubileum. Reden voor een gesprek.

Uw vakgebied wordt ook wel aangeduid als ‘Westerse esoterie’. Wat moeten we daaronder verstaan?

‘De meeste moderne academische disciplines in de geesteswetenschappen hebben tijdens de Verlichting vorm aangenomen. Ze hebben daarbij hun aandachtsgebieden op een nieuwe manier omschreven en ingeperkt, waardoor omvangrijke gebieden van het Westerse intellectuele erfgoed buiten de boot vielen. De geschiedenis van de filosofie moest zich bijvoorbeeld concentreren op wat werd gezien als “echte” filosofie: denkers als Descartes of Kant voldeden aan die eis, maar iemand als Marsilio Ficino – de belangrijkste Platonische filosoof van de vroege Renaissance en een centrale figuur in mijn vakgebied – werd zo goed als weggeschreven uit de geschiedenis. Zijn denken vond men te magisch en mystiek. Het gevolg is dat wetenschappers tot op de dag van vandaag vrijwel niets over deze zaken leren, en daardoor vaak lijden onder een ernstig tekort aan historische feitenkennis over intellectuele en religieuze stromingen die een grote rol hebben gespeeld in de Europese cultuur- en ideeëngeschiedenis. Het complete terrein dat door deze academische disciplinevorming als “rejected knowledge” buiten boord is gezet, wordt tegenwoordig bestudeerd onder het label “Westerse esoterie”.’

Ficino is een onbekende voor veel mensen. Zijn er ook mainstream-wetenschappers die onder de esoterie vallen?

‘Heel veel zelfs. Isaac Newton (1642-1727) is het sterkste voorbeeld. Hij was de grote vernieuwer van de natuurwetenschap. Maar begin twintigste eeuw verscheen er op een veiling een doos met alchemistische manuscripten van Newton waarop stond: ‘Of No Scientific Interest’. Nogal bizar, want hoe kan iets dat Newton heeft geschreven nu zonder wetenschappelijk belang zijn? Hij blijkt meer over alchemie te hebben geschreven dan over fysica of optica.
Alchemisten deden experimenteel onderzoek naar de omzetting van metalen en andere substanties, omdat ze geloofden dat volgens de natuurfilosofie van Aristoteles het mogelijk zou zijn om onedele metalen te veranderen in goud. In de zeventiende eeuw was die belangstelling normaal, veel van Newtons tijdgenoten bestudeerden de alchemie. Pas na de achttiende eeuw is de alchemie definitief ingehaald door de wetenschappelijke vooruitgang. Newton was op zoek naar een ‘Theory of Everything’, een theorie die alles tussen hemel en aarde zou verklaren. Hij was een diepgelovig man, en via alchemie hoopte hij de ontbrekende schakel te vinden tussen het goddelijke en het aardse. Latere generaties vonden het pijnlijk dat zo’n groot genie zich met “pseudowetenschap” had bezig gehouden, en men heeft dat feit heel bewust met de mantel der liefde bedekt.’

Hebben we Newton al die jaren niet begrepen door zijn alchemistische werk te negeren?

‘Zo ver zou ik niet gaan, maar de historische figuur Newton begrijpen we veel beter nu zijn fascinatie voor de alchemie serieus wordt onderzocht. Robert Boyle (1627-1691) is ook zo’n voorbeeld. Hij is de pionier van de scheikunde. De traditionele gedachte was dat hij zich in zijn vroegere jaren had bezondigd aan alchemie en dat hij zich later is gaan toeleggen op chemie. Maar tegenwoordig weten we dat het precies andersom is: Boyle kreeg naarmate hij ouder werd een steeds grotere fascinatie voor de alchemie. In veel disciplines heerst dus een ideologisch versimpeld beeld van de geschiedenis. Dat geldt ook voor andere terreinen. Ook in de filosofie, de kunstgeschiedenis en de kerkgeschiedenis valt er nog een hoop te winnen. In de kunstgeschiedenis voor de analyse van Piet Mondriaan bijvoorbeeld. Zijn werk is alleen goed te begrijpen als je op de hoogte bent van de theosofie, die heel belangrijk was voor de ontwikkeling van zijn beweging, De Stijl.’

In een van uw artikelen, Forbidden knowledge (2005), schrijft u: “Nothing is esoteric unless it is construed as such by somebody for some reason”. Wat bedoelt u hiermee?

‘De term esoterie werd pas in 1828 uitgevonden en is daarmee een term die wij met terugwerkende kracht plakken op eerdere stromingen. Er is discussie over de exacte grenzen van het vakgebied. Iedereen is het eens over de kernterreinen: rozenkruisers, religieuze bewegingen die zich beroepen op de 17e-eeuwse legende van een geheimzinnige “broederschap van het Rozenkruis” horen er bijvoorbeeld zeker bij, of het hermetisme. Maar er is verschil van mening over sommige andere stromingen, zoals bijvoorbeeld de astrologie.’

Wat is hermetisme, en wat heeft het te maken met Westerse esoterie?

‘Veel van het gedachtegoed van de Westerse esoterie werd traditioneel toegeschreven aan een legendarische Egyptische wijsheidsleraar, Hermes Trismegistus, onder wiens naam in de late oudheid invloedrijke religieus-filosofische geschriften rondgingen, en die onder andere ook de alchemie zou hebben uitgevonden. Vandaar de officiële titel van mijn leerstoelgroep: Geschiedenis van de Hermetische filosofie en verwante stromingen. Het hermetisme zou je kunnen omschrijven als een religieuze invulling van de Platonische filosofie. De kern ervan was het streven naar “gnosis”, een Griekse term die doelt op mystieke kennis van het absolute. In de Hermetische teksten wordt beschreven hoe leerlingen stapsgewijs worden ingewijd in deze kennis, culminerend in een extatische ervaring waarin de mysticus ontdekt dat zijn eigen innerlijke wezen samenvalt met het wezen van God.’

Bij het horen van esoterie wordt vaak onmiddellijk gedacht aan, astrologie, tarot, new age – en niet aan harde wetenschap. Wat zijn de voornaamste vooroordelen over uw vakgebied en hoe heeft u deze beslecht?

‘Het grootste probleem is de beeldvorming. Vanwege dat geïnstitutionaliseerde gebrek aan historische kennis kunnen veel wetenschappers zich bij mijn vakgebied nu eenmaal weinig anders voorstellen dan new age (een verzamelterm voor allerlei vormen van “nieuwe spiritualiteit” sinds de jaren zestig). Dat het gaat om complexe intellectuele tradities met een grote cultuurhistorische invloed is niet zo gemakkelijk uit te leggen. Het roept ook weerstand op, want door te pleiten voor serieuze bestudering van “het andere van de wetenschap” komt onze zorgvuldig gekoesterde academische identiteit in het geding. Hoe we dan omgaan met vooroordelen? Door goed en vernieuwend onderzoek neer te zetten, en door te laten zien hoe relevant de resultaten zijn voor andere disciplines. Mijn collega Peter Forshaw bestudeert bijvoorbeeld vroeg-moderne alchemistische tradities en heeft een sterk netwerk in de wetenschapsgeschiedenis; en mijn collega Marco Pasi houdt zich onder meer bezig met de invloed van esoterisch gedachtegoed op de moderne kunst, en werkt samen met kunsthistorici en musea. We zouden eigenlijk geen reden moeten hebben om defensief te reageren op stereotypen, want het zijn juist de bestaande vakgebieden die wat mij betreft iets hebben uit te leggen. Want waarom is dit deel van onze geschiedenis zo lang genegeerd?’

Bij uw aanstelling in 1999 werd u door veel kranten de New Age-professor genoemd. Deze kwalificatie zat u destijds dwars. Waarom?

‘New Age is eigenlijk geseculariseerde pop-esoterie, dat wil zeggen: flarden van traditioneel gedachtegoed vertaald in hedendaagse termen, bijvoorbeeld die van de psychologie. Het valt wel degelijk binnen ons studieterrein, maar dan als slechts één stroming onder vele andere. Het uitleggen dat ik geen New-Ager ben wordt op een gegeven moment wel vermoeiend.’

Hoe kijkt u terug op de ontwikkelingen in uw discipline?

‘We hebben ons een vaste plek verworven in de religiewetenschap, ook internationaal, en daar ben ik erg tevreden over. Maar in andere disciplines valt er nog een hoop te winnen, zoals in de natuurkunde met het voorbeeld van Newton, of de eerdergenoemde kunstgeschiedenis. Als deze terreinen ooit een vanzelfsprekend onderwerp van studie zouden worden in alle sectoren van de geesteswetenschappen, zou er uiteindelijk misschien geen aparte leerstoelgroep meer voor nodig zijn. Maar daar zijn we nog lang niet.’

Als we kijken naar de populariteit van ‘De Kracht van het Nu’, horoscopen en spirituele groepen is esoterie tegenwoordig ‘hot’.

‘Er is een grote fascinatie voor pop-esoterie en spiritualiteit. Dat komt onder andere doordat de gevestigde kerken in een ernstige crisis zitten. Mensen willen het niet hebben over dogma’s maar over gevoel en persoonlijke religieuze ervaring. Ik zie die fascinatie ook aan de vingers die omhoog gaan als ik mijn nieuwe studenten vraag of ze van 2012 hebben gehoord. Tachtig procent antwoordt dan ja. Voordat ik het weet ben ik dan alleen maar over 2012, de Mayakalender en de ondergang van de wereld aan het praten. Ik denk dat er in de samenleving sprake is van een latent apocalyptisch bewustzijn, waar sommige esoterische stromingen op inspringen.’

Waarom is de bestudering van esoterie belangrijk?

‘Ik vind dat wij een ideologisch verarmd en versmald beeld van ons eigen erfgoed hebben. Ter bescherming van onze rationele en wetenschappelijke identiteit hebben we grote delen van onze eigen geschiedenis weggeschreven. Dat is psychologisch begrijpelijk, maar het leidt tot geschiedvervalsing. Als je ons terrein werkelijk herintegreert in het academische bewustzijn, dan zullen we ook onze eigen identiteit grondig moeten herzien. Vergelijk het met psychotherapie: je wilt eigenlijk niet kijken naar het onbewuste, omdat het je identiteit bedreigt, maar je doet het toch. Dat is een pijnlijk proces en aan het eind ervan ben je niet meer dezelfde die je was, maar je bent wel completer en hopelijk gezonder. Ik vind dat een mooie metafoor voor de bijdrage die wij met ons vakgebied leveren aan de academische studie van de Westerse cultuur.’

CV

Wouter Hanegraaff

1961 Geboren te Amsterdam als zoon van een predikant (Nederlands hervormd)

1982-1987 Studie klassiek gitaar aan het Gemeentelijk Conservatorium in Zwolle

1986-1990 Algemene Letteren aan de Universiteit Utrecht

1992-1996 Promotieonderzoek Godsdienstwetenschappen Universiteit Utrecht – onderzoek “New Age Religion and Western Culture: Esotericism in the Mirror of Secular Thought”.

1996-1999: Postdoc-onderzoeker Godsdienstwetenschappen UU
1999-heden: Hoogleraar Geschiedenis van de Hermetische filosofie UvA

2006: Gekozen lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)

Hanegraaff is vrijgezel en heeft twee katten, Lilith en Pillows.

Gepubliceerd in Folia 12, 18 november 2009


Leave a Reply

You can use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>