Het is er te donker of te koud, het is ver fietsen of er zijn geen wc’s – obscure plekken voor theater, muziek en exposities kruipen als kleurrijk onkruid tussen de gebaande paden van de reguliere locaties in Amsterdam.
Laten we het ‘vijfde circuit’ noemen, los van enige numerieke telling, gewoon om er een naam aan te geven. Bij jonge, opkomende makers is het vijfde circuit een uitgelezen kans om zich te laten zien. Want waar gevestigde instanties maanden van te voren zijn volgeboekt, bieden gekraakte panden, ex-gevangenissen en verlaten krantengebouwen een ideaal podium.
Eindelijk, verzuchten kunstenaars. Want critici roepen het al jaren: Amsterdam haalt het niet bij kosmopolitische kunststeden als Berlijn, Barcelona en zelfs – oh ironie – Rotterdam. Amsterdam is ingedut, vastgeroest, en te dichtgetimmerd met regeltjes. Jonge kunstenaars kunnen nooit ergens terecht.
Toch laveer ik nu tussen de koude gangen van Brug 9 waar tijdens het Amsterdam Fringe Festival theatergroep Knoest in de oude gevangenis aan de Singel speelt. Brachten in de 17e eeuw kruimeldieven een nachtje onder de brug door, zijn het nu beginnend acteurs die er bivakkeren. Of ik fiets naar de verlaten westelijke havengebieden voor een festijn in een grote witte tent voor een optreden van de poëzieband Project Wildeman. Ook kraakpand de Nieuwe Anita slaat haar bezoekers stil met een optreden van een singer-songwriter met miniatuuranimatie op powerpoint. Kunst op onverwachte locaties. De comeback van de underground.
Maar dan blijkt het adhockarakter van deze kunstlokalen minder subversief dan gedacht. Al sinds 1994 bestaat er vanuit de gemeente Amsterdam bewust beleid voor het vinden van panden voor jonge kunstenaars. De ‘gemeentelijke loods’ is tussenpersoon voor kunstenaars en pandbeheerders. Kraakpanden worden legaal, tenten krijgen een vergunning. Zo verdween bloeiend cultuurkraakpand Pakhuys Afrika en veranderde de verlate redactie van de Volkskrant in een strak geleide broedplaats voor jonge cultureel ondernemers.
Begrijp me niet verkeerd: het feit dat jonge kunstenaars ergens kunnen spelen is alleen maar goed. Ook het avontuurlijke van de locaties komt het de totale kunstgenot ten goede. Maar aan de algehele ervaring blijft een gevoel van ongemak kleven. Bureaucraten zitten bovenop de ontwikkeling van alternatieve speelruimten – van underground is hoe dan ook geen sprake meer – en waar de gemeente zich inmengt verliezen culturele broedplaatsen al gauw hun aantrekkelijke rafelrandje. Berlijn is nog ver weg.
Column voor vakblad Kunsten 92 (jan 2010)